Inleiding

Het startpunt voor de huidige Europese Unie vormde de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (hierna: EGKS). 1Opgericht door het verdrag van Parijs

Met de echo van de ronkende motoren van de gevechtsvliegtuigen op de achtergrond, startte in 1950 de onderhandelingen tot oprichting van de EGKS door het Schumanplan. De gedachte was, dat door middel van een spill-overmethodiek men nooit meer ‘’Wir haben es nicht gewußt’’ zou horen. De spill-overmethodiek had als doel om, door middel van integratie van de nationale economieën, te komen tot een sociale en politieke harmonisatie, namelijk: een verenigd Europa. Door deze harmonisatie kon men de vrede beschermen, want: Gij die afhankelijk van elkander zijn, zullen mekaar niet bevechten.

Na de oprichting van de EGKS heeft het proces van Europese integratie nog diverse stadia doorlopen, om uiteindelijk te komen tot de huidige Europese Unie. Weliswaar kan de spill-overmethodiek worden beschouwd als de voorloper van de Gemeenschappelijke markt, maar door de juridische interpretatiekunde van het Hof van Justitie (hierna: HvJ) is de interne markt ‘vervolmaakt’. 2De interne markt is het equivalent voor de Gemeenschappelijke markt. Het HvJ heeft in zijn arresten Van Gend & Loos 3HvJ, 5 februari 1963, C 26/62 (Van Gend & Loos). en Costa/ENEL4 HvJ, 15 juli 1964, C 6/64 (Costa/ENEL). de eerste aanzet gegeven tot de huidige interne markt. 5Verdere Europese integratie van de interne markt vond onder andere plaats door middel van de uitspraken van het HvJ in zijn arresten Dassonville (C 8/74) en Cassis de Dijon (C 120/78).

In deze verhandeling zullen de interpretatiemethoden die het HvJ in de bovenstaande uitspraken hanteert nader uiteengezet en –waar mogelijk- bekritiseerd worden. Er wordt echter niet een (volledige) casuspositie geschetst van de arresten.   

Van intergouvernementeel naar supranationaal

De Europese verdragen waren intergouvernementeel van opzet en dus onderdeel van het volkenrecht. Het volkenrecht ziet met name op de onderlinge verhoudingen, kwesties en afspraken van landen. Er is pas sprake van zelfbinding indien de landen hiermee uitdrukkelijk en ondubbelzinnig hebben ingestemd.  Het HvJ is ten tijde van de EGKS in 1952 ingesteld om op verzoek van de Europese instellingen of van de lidstaten een uitlegging te geven over de verdragsbepalingen, de zogenoemde prejudiciële procedure. 6Thans neergelegd in artikel 267 VWEU.

 De EGKS was een intergouvernementele organisatie. Bovendien waren de drie pijlers van de in 1957 opgerichte Europese Economische Gemeenschap (hierna: EEG) 7Opgericht door het Verdrag van Rome. intergouvernementeel van aard. Door de interpretatiekunde van het HvJ in de arresten Van Gend & Loos en Costa/ENEL is de EEG (thans: de EU) echter getransformeerd tot een supranationale organisatie.

Het Gemeenschapsrecht en de interpretatiemethoden

Doordat onze emeenschapsrechtsorde gekenmerkt wordt door specifieke ‘eigenschappen’ en zij de ‘geest’ van de vrede van het Shumanplan ademt, prefereert het HvJ bepaalde interpretatiemethoden. De meest toegepaste interpretatietechnieken zijn de teleologische en de systematische interpretatiemethoden. 8E. Matheeussen, Interpretatiemethoden gehanteerd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap, Leuven: Katholieke Universiteit, p. 391. Daarnaast zijn, door de wijze waarop het Europese rechtssysteem is ingericht, bepaalde interpretatiemethoden ongeschikt.9 Het huidige Europese rechtssysteem vindt zijn grondslag in de Verdragen (het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), ook wel het primaire Unierecht genoemd. Het Europese recht omvat naast het primaire Unierecht ook secundaire of recht. Dit zijn alle rechtshandelingen afkomstig van de instellingen van de Europese Unie. De voornaamste rechtshandelingen zijn opgenomen in artikel 288 VWEU en behelzen: Verordeningen, richtlijnen en algemene of individuele besluiten. Het secundair recht wordt vastgesteld op basis van de bevoegdheden die de Verdragen toekennen en zijn dus afgeleid recht. Tot slot omvat het Europese recht ook de jurisprudentie van het HvJ, bestaand uit een Gerecht en een Hof. Door de problematiek van meerdere authentieke talen en mogelijke discrepanties in de verschillende taalversies van de wetgevingsteksten, is de grammaticale interpretatiemethode vaak geen geschikte methode. De wetshistorische interpretatiemethode is ook een ongeschikte methode. Dit komt voornamelijk doordat in het Europese rechtssysteem een ‘echte’ wetsgeschiedenis ontbreekt. De wetgevingsprocedure inzake de vaststelling van afgeleide regelgeving is namelijk tot op heden niet openbaar en de goedkeuring en/of adviezen van lidstaten voor bepaalde wetgevingshandelingen zijn slechts eenzijdige verklaringen afkomstig van de regering van één lidstaat. 10De Europese Commissie heeft echter op 14 februari 2017 een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van de huidige Comitologieverordening (182/2011). De Comitologieverordening bepaalt de relevante wetgevingsprocedure tot vaststelling van afgeleide regelgeving. Indien dit wetsvoorstel wordt aangenomen, zullen bepaalde aspecten van de wetgevingsprocedure openbaar zijn. De vergaderingen van het Europese Parlement zijn –in beginsel- wel openbaar, maar omvatten dus slechts één ‘stukje’ van de ‘wil’ van de wetgever. In hoeverre in deze laatste situatie van de ‘wil’ van de Europese wetgever gesproken kan worden, valt mijns inziens te betwijfelen. Tot slot benoemt de preambule van een wetgevings- of regelgevingshandeling vaak de bedoeling (de ‘wil’) van de Europese wetgever, zodat een ‘beroep’ op de ‘wetsgeschiedenis’ veelal onnodig is.

De nieuwe rechtsorde        

Om een volledige gemeenschappelijke markt te creëren is het ten eerste noodzakelijk dat het Gemeenschapsrecht, binnen de nationale rechtsordes van de lidstaten, onmiddellijke werking heeft. 11 Ook wel rechtstreekse werking genoemd. Het is belangrijk de rechtstreekse werking niet te verwarren met de rechtstreekse toepasselijkheid. De rechtstreekse toepasselijkheid (zoals bij Verordeningen) houdt in dat er geen nationale implementatie of tenuitvoerlegging dient plaats te vinden om gelding binnen de nationale rechtsorde te hebben. De rechtstreekse werking ziet op de inroepbaarheid voor de nationale rechter. Een bepaling van het Unierecht heeft alleen rechtstreekse werking mits zij voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk is. Om ook de vruchten (en de bescherming) te kunnen plukken van deze onmiddellijke werking, is het van belang dat het Gemeenschapsrecht (thans: Unierecht) voorrang heeft boven het nationale recht. 12 Mits de bepaling voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk is. Het HvJ heeft in zijn beroemd arrest Van Gend & Loos bepaald dat de lidstaten een nieuwe rechtsorde in het leven hebben geroepen, doordat zij hun soevereiniteit hebben beperkt ten behoeve van de EEG (thans: EU). Een nieuwe rechtsorde waaraan de lidstaten en hun onderdanen, onafhankelijk van het nationale recht, hun rechten en plichten geldig kunnen maken (mits de betreffende bepaling voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk is), aldus het HvJ.13 HvJ, 5 februari 1963, C 26/62 (Van Gend & Loos), onder II-B. Het HvJ introduceerde middels de bovenstaande redenatie de onmiddellijke werking van het Gemeenschapsrecht. Anderhalf jaar later introduceerde het HvJ in zijn arrest Costa/ENEL de voorrang van het Gemeenschapsrecht boven het nationale recht. Het HvJ overwoog expliciet dat het nationale recht van de lidstaten geen afbreuk doet aan de nieuwe rechtsorde. 14 Daarnaast overwoog het HvJ In Simmenthal (C 106/77) in r.o. 21, dat indien een bepaling voorrang heeft boven het nationale recht, het geschil moet worden beslecht ten voordele van het Gemeenschapsrecht. Door middel van welke interpretatie- en redeneerwijze(n) kwam het HvJ tot deze nieuwe rechtsorde waarmee zij de interne markt tot stand bracht?

Van Gend & Loos en Costa/ENEL

Zoals hierboven beschreven, hanteert het HvJ met name de teleologische en systematische interpretatiemethoden. Door middel van de teleologische interpretatiemethode tracht men het doel, de zogenoemde geest en strekking, van de tekst te achterhalen. Bij de systematische interpretatiemethode wordt de tekst in een onderlinge vergelijking ‘uitgelegd’ binnen de gehele systematiek van een wet of een andere rechtsbron (in casu: de Verdragen). Om tot een bepaalde onderlinge vergelijking te komen wordt veelal gebruik gemaakt van drie logische redeneerwijzen, namelijk: de redenering naar analogie15 De redenering naar analogie is een vorm van inductief redeneren. Door middel van deze redeneringswijze wordt bewerkstelligd dat een niet geregeld geval, die vergelijkbaar is met een geregeld geval, onder de regel van het geregeld geval valt.  , de redenering a contrario16 Bij de a contrario-redenering wordt vanuit het tegenovergestelde geredeneerd. De uitkomst is dan dat de wettelijke bepaling enkel geldt voor een bepaalde specifieke situatie en er geen sprake is van een mate van vergelijkbaarheid.  en de a fortiori17 Ook wel bekend als de ‘des-te-meer’ redenering. Bij deze redeneringswijze worden twee stellingen geponeerd. Indien de eerste stelling als geldig wordt bevonden, is er des te meer reden om de tweede stelling ook voor ‘waar’ aan te nemen. redenering.  

In de volgende overweging van het HvJ in Van Gend & Loos blijkt expliciet dat zij een systematische interpretatiemethode hanteert:

  • Uit een analyse van de juridische structuur van het Verdrag en de daardoor in het leven geroepen rechtsorde vloeit volgens de Commissie enerzijds voort, dat de Lid-Staten niet alleen het aangaan van wederzijdse verplichtingen, doch ook de instelling van een communautair recht hebben beoogd, anderzijds, dat zij de toepassing van dit recht niet hebben willen onttrekken aan de normale bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties.” 18 HvJ, 5 februari 1963, C 26/62 (Van Gend & Loos), onder II-A. 

Vervolgens hanteert het HvJ in de volgende overwegingen de teleologische interpretatiemethode:

  • Overwegende dat ter vaststelling of de bepalingen van een internationaal verdrag zodanige strekking hebben moet worden gelet op de geest, de inhoud en de bewoordingen daarvan;
  • Overwegende dat het oogmerk van het E.E.G.-Verdrag, namelijk de instelling van een gemeenschappelijke markt wier werkzaamheid de ingezetenen der Gemeenschap rechtstreeks betreft, meebrengt dat dit Verdrag meer is dan een overeenkomst welke slechts wederzijdse verplichtingen tussen de verdragsluitende mogendheden schept;
  • Dat deze opvatting wordt bevestigd door de preambule van het Verdrag, die zich over de regeringen heen richt tot de volken en wel zeer duidelijk door het in leven roepen van organen, bekleed met soevereine rechten welker uitoefening zowel de Lid-Staten als hun burgers raakt;
  • Dat het overigens de aandacht verdient dat de ingezetenen der in de Gemeenschap verenigde Staten door middel van het Europese Parlement en het Economisch en Sociaal Comité geroepen zijn mede te werken aan de arbeid dezer Gemeenschap;
  • Dat bovendien de opdracht aan het Hof van Justitie, om door middel van artikel 177 de eenheid in de uitlegging van het Verdrag door de nationale gerechten te verzekeren, bewijst dat de Staten ervan uit zijn gegaan, dat de gelding van het gemeenschapsrecht door hun ingezetenen voor deze gerechten kan worden ingeroepen;
  • Dat uit deze omstandigheden moet worden afgeleid, dat de Gemeenschap in het volkenrecht een nieuwe rechtsorde vormt ten bate waarvan de Staten, zij het op een beperkt terrein, hun soevereiniteit hebben begrensd en waarbinnen niet slechts deze Lid-Staten, maar ook hun onderdanen gerechtigd zijn;
  • Dat het gemeenschapsrecht derhalve, evenzeer als het, onafhankelijk van de wetgeving der Lid-Staten, ten laste van particulieren verplichtingen in het leven roept, ook geëigend is rechten te scheppen welke zij uit eigen hoofde kunnen geldig maken;
  • Dat deze laatste niet slechts ontstaan door uitdrukkelijke toekenning vanwege het Verdrag, maar evenzeer als weerslag van de duidelijke verplichtingen welke het Verdrag zowel aan particulieren, als aan de Lid-Staten en de gemeenschappelijke instellingen oplegt.19 HvJ, 5 februari 1963, C 26/62 (Van Gend & Loos), onder II-B.

Uit de bovenstaande overwegingen blijkt dat het HvJ in Van Gend & Loos de teleologische interpretatiemethode in vervlechting met de systematische interpretatiemethode toepast. Het HvJ zoekt als het ware in de systematische interpretatiemethode naar de geest en inhoud van het verdrag, zodat zij zo kan bepalen dat het Gemeenschapsrecht rechtstreekse werking heeft. Hierbij hanteert zij mijns inziens een extensieve a fortiori redenering, met als uitkomst: “dat uit deze omstandigheden moet worden afgeleid, dat de Gemeenschap in het volkenrecht een nieuwe rechtsorde vormt”.

In het arrest Costa/ENEL ‘borduurt’ het HvJ voort op de interpretatie uit Van Gend & Loos en hanteert zij hierbij eveneens de teleologische en systematische interpretatiemethoden:

  • Overwegende dat het E.E.G.-Verdrag, anders dan met gewone internationale verdragen het geval is, een eigen rechtsorde in het leven heeft geroepen, die bij de inwerkingtreding van het Verdrag in de rechtsorde der Lid-Staten is opgenomen en waarmede de nationale rechters rekening dienen te houden; dat namelijk de Lid-Staten — door voor onbepaalde tijd een Gemeenschap op te richten, voorzien van eigen organen, van rechtspersoonlijkheid en handelingsbevoegdheid, van vertegenwoordigingsbevoegdheid op het internationale vlak, en in het bijzonder van praktische bevoegdheden (dit laatste ten gevolge van het feit dat de Staten hun bevoegdheden hebben ingeperkt of aan de Gemeenschap hebben overgedragen) — hun soevereiniteit, zij het op een beperkt terrein, hebben begrensd en derhalve een rechtsstelsel in het leven hebben geroepen, dat bindend is zowel voor hun onderdanen als voor henzelf;
  • Overwegende dat deze opneming in het recht der Lid-Staten van uit gemeenschapsrechtelijke bron voortkomende rechtsregels en, meer in het algemeen, de geest en de inhoud van het Verdrag, tot gevolg hebben dat de Staten tegen de rechtsorde, die zij op basis van wederkerigheid hebben aanvaard, niet kunnen ingaan met een later, eenzijdig afgekondigd wettelijk voorschrift;
  • Dat een dergelijk voorschrift derhalve niet boven de rechtsorde van de Gemeenschap kan worden gesteld;
  • Dat, indien de werking van het gemeenschapsrecht van Staat tot Staat zou verschillen op grond van latere nationale wetten, dit de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag, bedoeld in artikel 5, lid 2, in gevaar zou brengen en een bij artikel 7 verboden discriminatie in het leven zou roepen;
  • Dat de verplichtingen, neergelegd in het Verdrag waarbij de Gemeenschap is opgericht, niet absoluut, doch slechts voorwaardelijk zouden gelden, wanneer de Verdragsluitende Partijen zich door middel van latere wettelijke voorschriften aan de inachtneming daarvan zouden kunnen onttrekken.” 20 HvJ, 15 juli 1964, C 6/64 (Costa/ENEL), onder ‘Verplichting voor de rechter tot toepassing van de nationale wet’.

Conclusie en kritiek

In de arresten Van Gend & Loos en Costa/ENEL, is er mijns inziens sprake van een vervlechting van de teleologische en systematische interpretatiemethode, waarbij door het HvJ een extensieve (ruime) uitleg gehanteerd wordt. Middels deze vorm van interpretatiekunde bewerkstelligt het HvJ de Europese integratie in de nationale rechtsordes en tracht zij zo de interne markt te vervolmaken, tot genoegen van de pro-Europa aanhangers. De critici stellen echter dat het HvJ zich door deze interpretatiekunde schuldig maakt aan (ongewenste) rechterlijk activisme. Ik citeer: “Mede als gevolg van de door het EHvJ systematisch toegepaste teleologische interpretatiemethode is in de afgelopen decennia een Europees politiek en constitutioneel bestel ontstaan dat inmiddels meer overeenkomsten vertoont met een bondsstaat dan met een traditionele volkenrechtelijke samenwerkingsvorm.”21 H.-M. Th.D. ten Napel, ‘De rechtsmacht van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen’, in: Nederlands Juristenblad, 73 (1998), p. 67-71. Welke opvatting men ook is toebedeeld, één ding is duidelijk: het HvJ beheerst de teleologische interpretatiemethode tot in de puntjes.

 

Geschreven door Nicolette Drent. 22 Nicolette Ruth Drenth volgt de onderzoeksmaster met een specialisatie in het ondernemingsrecht en Europees recht.

Referenties   [ + ]

1. Opgericht door het verdrag van Parijs
2. De interne markt is het equivalent voor de Gemeenschappelijke markt.
3. HvJ, 5 februari 1963, C 26/62 (Van Gend & Loos).
4. HvJ, 15 juli 1964, C 6/64 (Costa/ENEL).
5. Verdere Europese integratie van de interne markt vond onder andere plaats door middel van de uitspraken van het HvJ in zijn arresten Dassonville (C 8/74) en Cassis de Dijon (C 120/78).
6. Thans neergelegd in artikel 267 VWEU.
7. Opgericht door het Verdrag van Rome.
8. E. Matheeussen, Interpretatiemethoden gehanteerd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap, Leuven: Katholieke Universiteit, p. 391.
9. Het huidige Europese rechtssysteem vindt zijn grondslag in de Verdragen (het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), ook wel het primaire Unierecht genoemd. Het Europese recht omvat naast het primaire Unierecht ook secundaire of recht. Dit zijn alle rechtshandelingen afkomstig van de instellingen van de Europese Unie. De voornaamste rechtshandelingen zijn opgenomen in artikel 288 VWEU en behelzen: Verordeningen, richtlijnen en algemene of individuele besluiten. Het secundair recht wordt vastgesteld op basis van de bevoegdheden die de Verdragen toekennen en zijn dus afgeleid recht. Tot slot omvat het Europese recht ook de jurisprudentie van het HvJ, bestaand uit een Gerecht en een Hof.
10. De Europese Commissie heeft echter op 14 februari 2017 een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van de huidige Comitologieverordening (182/2011). De Comitologieverordening bepaalt de relevante wetgevingsprocedure tot vaststelling van afgeleide regelgeving. Indien dit wetsvoorstel wordt aangenomen, zullen bepaalde aspecten van de wetgevingsprocedure openbaar zijn.
11. Ook wel rechtstreekse werking genoemd. Het is belangrijk de rechtstreekse werking niet te verwarren met de rechtstreekse toepasselijkheid. De rechtstreekse toepasselijkheid (zoals bij Verordeningen) houdt in dat er geen nationale implementatie of tenuitvoerlegging dient plaats te vinden om gelding binnen de nationale rechtsorde te hebben. De rechtstreekse werking ziet op de inroepbaarheid voor de nationale rechter. Een bepaling van het Unierecht heeft alleen rechtstreekse werking mits zij voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk is.
12. Mits de bepaling voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk is.
13, 19. HvJ, 5 februari 1963, C 26/62 (Van Gend & Loos), onder II-B.
14. Daarnaast overwoog het HvJ In Simmenthal (C 106/77) in r.o. 21, dat indien een bepaling voorrang heeft boven het nationale recht, het geschil moet worden beslecht ten voordele van het Gemeenschapsrecht.
15. De redenering naar analogie is een vorm van inductief redeneren. Door middel van deze redeneringswijze wordt bewerkstelligd dat een niet geregeld geval, die vergelijkbaar is met een geregeld geval, onder de regel van het geregeld geval valt.
16. Bij de a contrario-redenering wordt vanuit het tegenovergestelde geredeneerd. De uitkomst is dan dat de wettelijke bepaling enkel geldt voor een bepaalde specifieke situatie en er geen sprake is van een mate van vergelijkbaarheid.
17. Ook wel bekend als de ‘des-te-meer’ redenering. Bij deze redeneringswijze worden twee stellingen geponeerd. Indien de eerste stelling als geldig wordt bevonden, is er des te meer reden om de tweede stelling ook voor ‘waar’ aan te nemen.
18. HvJ, 5 februari 1963, C 26/62 (Van Gend & Loos), onder II-A.
20. HvJ, 15 juli 1964, C 6/64 (Costa/ENEL), onder ‘Verplichting voor de rechter tot toepassing van de nationale wet’.
21. H.-M. Th.D. ten Napel, ‘De rechtsmacht van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen’, in: Nederlands Juristenblad, 73 (1998), p. 67-71.
22.  Nicolette Ruth Drenth volgt de onderzoeksmaster met een specialisatie in het ondernemingsrecht en Europees recht.