Op 23 maart jl. heeft de Hoge Raad meer duidelijkheid geschept met betrekking tot de vraag of vorderingen die na faillissement of surseance van betaling zijn ontstaan ter verificatie kunnen worden ingediend. In zijn uitspraak in reactie op prejudiciële vragen gesteld door de Rechtbank Amsterdam gaat de Hoge Raad in op de vraag of vorderingen die zijn ontstaan na aanvang van de insolventieprocedure, maar voortvloeien uit een reeds bestaande rechtsverhouding, ter verificatie kunnen worden ingediend.

Het fixatiebeginsel, zo bevestigt de Hoge Raad nogmaals, houdt in dat de rechtspositie van de bij de boedel betrokken partijen onveranderlijk blijft. Het faillissement brengt verder in beginsel geen veranderingen met zich mee van bestaande wederkerige overeenkomsten en de daaruit voortvloeiende verbintenissen over en weer. Wanneer een vordering na faillissement of surseance van betaling ontstaat als gevolg van reeds bestaande overeenkomst, hoeft die geen schending van het fixatiebeginsel op te leveren. Vereist is wel dat de nieuwe vordering reeds besloten lag in de rechtspositie van de schuldeiser zoals die bij het intreden van de insolventieprocedure.

“(…) Dat laatste is het geval indien de nieuwe vorderingen geen uitbreiding opleveren van de aanspraken die deze schuldeiser op grond van die rechtspositie op dat tijdstip al had. Het fixatiebeginsel houdt immers in dat de rechtspositie van een schuldeiser na het intreden van het faillissement niet te zijnen gunste mag worden gewijzigd. Voor zover wel sprake is van een dergelijke uitbreiding, komen de desbetreffende vorderingen niet voor verificatie in aanmerking, behoudens voor zover de boedel ten gevolge van het ontstaan ervan is gebaat.” (R.o. 3.5.4)

Vervolgens relateert de Hoge Raad deze uitspraak aan diens belangrijke arrest ECLI:NL:HR:2013:BY6108, NJ 2013/291 – Koot Beheer/Tideman q.q., en nuanceert deze laatste uitspraak op enkele punten:

“In HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108, NJ 2013/291 (Koot/Tideman) is niet bedoeld in andere zin te oordelen dan hiervoor in 3.5.4 is overwogen. De overweging in 3.6.1 van dat arrest, dat indien de curator in verband met het belang van de boedel besluit om een overeenkomst niet gestand te doen, voor de wederpartij steeds, kort gezegd, een concurrente vordering resteert, is te ruim geformuleerd en dient dan ook met inachtneming van de hiervoor in 3.5.4 genoemde beperking te worden gelezen. Hetzelfde geldt voor de overweging in 3.7.2 van het arrest, dat vorderingen die voortvloeien uit een ten tijde van de faillietverklaring bestaande rechtsverhouding met de schuldenaar en die geen boedelschuld opleveren, behoren tot de vorderingen op de schuldenaar die voor verificatie in aanmerking komen, ook als ze pas tijdens het faillissement ontstaan. De genoemde overwegingen hebben dus geen betrekking op een vordering die eerst tijdens faillissement ontstaat en waarvan de toelating in het faillissement in strijd zou komen met het fixatiebeginsel.” (R.o. 3.5.6)

 

Nino van Deinsen