Hoe het faillissement van de MC IJsselmeerziekenhuizen ten koste gaat van de zorgverzekeraars

Op 25 oktober zijn door de rechtbank Midden-Nederland een viertal ziekenhuizen failliet verklaard. Als gevolg van het faillissement gaan de Medische Centra in zowel Lelystad, Emmeloord, Dronten als Amsterdam Slotervaart een erg onzekere toekomst tegemoet. De maatschappelijke impact van het faillissement is groot. Patiënten verkeren in onzekerheid over reeds geplande medische ingrepen, de spoedeisende hulp en de acute kraamzorg in de provincie Flevoland komen in gevaar en patiënten die nu in de ziekenhuizen liggen vragen zich af of zij nog wel zorg krijgen. Ten behoeve van deze patiënten wordt de exploitatie van deze ziekenhuizen voorlopig voortgezet, maar hoe past deze voortzetting in de faillissementswet?

Voortzetting van de activiteiten

In het geval van de ziekenhuizen MC Lelystad en MC Emmeloord is er tevens sprake van zogeheten ‘systeemziekenhuizen’.1https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/de-laatste-dagen-van-mc-zuiderzee-dit-is-wel-lelystad-geen-dorp-~bf1812ab Dit betekent dat zij een belangrijke -zo niet essentiële- schakel zijn in het kunnen aanbieden van spoedeisende hulp binnen de wettelijke norm van 45 minuten. Reden genoeg voor de Nederlandse Zorgautoriteit om in 2009 nog een bedrag van 27 miljoen euro ter beschikking te stellen om beide ziekenhuizen te redden. Toch heeft de wetgever inmiddels uitdrukkelijk geaccepteerd dat zorginstellingen met een grote maatschappelijke rol failliet kunnen gaan.2Kamerstukken II 2008/09, 32012, 1.

In het geval van de MC IJsselmeerziekenhuizen lijkt het onwaarschijnlijk dat een voortzetting van de activiteiten opportuun is. Over 2017 leden de ziekenhuizen (incl. het Slotervaartziekenhuis) gemiddeld zo’n 83.250 euro verlies per maand en de curator heeft reeds aangegeven dat geen van de ziekenhuizen kans maakt in haar geheel overeind te blijven.3https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/rechter-gunt-failliete-ziekenhuizen-in-flevoland-tijd-voor-doorstart~bd43306b/  Toch wordt momenteel de exploitatie voortgezet. Naast het financiële aspect speelt namelijk ook de grote maatschappelijke waarde van de zorginstellingen een rol. Daarbij kan acute staking van de activiteiten kan levensbedreigende situaties opleveren. De keerzijde hiervan is dat een hoge boedelschuld dreigt en de bijbehorende benadeling van alle crediteuren lijkt een logisch gevolg. De curator zal op zoek zijn naar een garantie voor de exploitatiekosten in de boedelperiode en daarbij aankloppen bij de zorgverzekeraars.

Rol van de zorgverzekeraar

De overheid legt voor de voortzetting van zorginstellingen de volledige verantwoordelijkheden bij de curator en de zorgverzekeraars. Hierbij beroept de minister zich op het feit dat verzekeraars een zorgplicht hebben, maar wat houdt deze zorgplicht nou in?4 Art. 11 lid 1 Zvw De verzekerde heeft ten aanzien van de zorgverzekeraar recht op zorg dan wel vergoeding van de kosten van geleverde zorg.5Kamerstukken II 2003/04, 29 763, 3, p. 102. Dit recht zorgt voor een spanningsveld tussen de rechten van de verzekerde en de faillissementswet. Zo houdt de verzekerde het recht om gedurende de zorgverlening door een aanbieder de zorg bij die aanbieder voort te zetten, ook als de overeenkomst tussen aanbieder en verzekeraar eindigt. Dit laatste zal veelal het geval zijn in het kader van een faillissement. De overeenkomst tussen verzekeraar en zorgaanbieder bepalen gewoonlijk dat zij eindigen in het geval van een faillissement.6K. Meersma, T. Hekman & J. Rijken, ‘De faillerende zorginstelling‘, TO&F, 2017/1, p. 74

De curator die de zorg voortzet kan dus tegenover de zorgverzekeraars aanspraak maken op de tarieven die vóór het faillissement golden. Voor de curator staat echter niet vast dat daarmee de boedel gebaat is, nu de lasten nog steeds hoger zouden kunnen zijn dan de baten. Om te voorkomen dat hij de gezamenlijke boedelschuldeisers benadeelt, heeft de curator een garantie nodig voor alle kosten die hij in het kader van de voortzetting zal maken.

In de literatuur wordt bepleit dat als het een zorgaanbieder of zorgactiviteit betreft die noodzakelijk is voor de continuïteit van cruciale zorg, de zorgverzekeraars tegenover hun verzekerden de verplichting hebben om bij een faillissement de continuïteit van deze zorg te garanderen. Dit tot het moment dat een definitieve oplossing is gevonden, zowel voor bestaande als voor nieuwe patiënten.7 K. Meersma, T. Hekman & J. Rijken, ‘De faillerende zorginstelling‘, TO&F, 2017/1, p. 75 Deze opvatting vloeit voort uit de interpretatie van twee arresten van de Hoge Raad uit 2014 en 2015. Hierin kan worden gelezen dat niet alleen de verzekerde, maar ook de curator een beroep op de verplichtingen van de zorgverzekeraar aan de verzekerde kan doen.8 Zie: HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1646, GJ 2014/121 m.nt. J.J. Rijken; HR 6 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3241, GJ 2016/33 m.nt. J.G. Sijmons.

Tot slot

Geconcludeerd kan worden dat de curator van de MC IJsselmeerziekenhuizen onder de druk staat om de impact voor patiënten en zorgbehoevenden zoveel mogelijk te beperken. Om dit te bereiken bevindt de curator zich in een spanningsveld tussen het maatschappelijk belang en het belang van de gezamenlijke schuldeisers. Om te voorkomen dat de crediteuren het vermogen in de boedel zien verdampen, zal de curator een garantie verlangen ten einde de activiteiten voort te kunnen zetten. Deze garantie zorgt er voor dat de ziekenhuizen momenteel aan het infuus liggen dat door de verzekeraars is aangelegd. Hoewel de zorg daarmee eerst gered lijkt te zijn, komt het er in de praktijk op neer dat zorgverzekeraars de aanzienlijke rekening betalen voor het faillissement.

Referenties   [ + ]

1. https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/de-laatste-dagen-van-mc-zuiderzee-dit-is-wel-lelystad-geen-dorp-~bf1812ab
2. Kamerstukken II 2008/09, 32012, 1.
3. https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/rechter-gunt-failliete-ziekenhuizen-in-flevoland-tijd-voor-doorstart~bd43306b/ 
4. Art. 11 lid 1 Zvw
5. Kamerstukken II 2003/04, 29 763, 3, p. 102.
6. K. Meersma, T. Hekman & J. Rijken, ‘De faillerende zorginstelling‘, TO&F, 2017/1, p. 74
7. K. Meersma, T. Hekman & J. Rijken, ‘De faillerende zorginstelling‘, TO&F, 2017/1, p. 75
8. Zie: HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1646, GJ 2014/121 m.nt. J.J. Rijken; HR 6 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3241, GJ 2016/33 m.nt. J.G. Sijmons.