Op 29 januari 2019 stemde de Tweede Kamer in met het wetsvoorstel Afwikkeling massaschade in collectieve actie (hierna: ‘het Wetsvoorstel’). Het Wetsvoorstel is een uitbreiding van de Wet Collectieve Actie Massaschade (de ‘WCAM’). Onder de WCAM kunnen stichtingen of verenigingen (zogeheten ‘305a-organisaties’) voor hun achterban een schikking treffen met de schadeveroorzakende partij, maar is het niet toegestaan om te procederen voor een schadevergoeding.1Zoals blijkt uit art. 3:305a lid 3 BW. Het wetsvoorstel maakt dit wel mogelijk, maar niet zonder dat de wetgever extra eisen stelt aan de procedure. In deze blog zal ik de belangrijkste nieuwkomer uit het Wetsvoorstel bespreken.

Het verloop van de procedure

Allereerst gaat de wijze waarop collectieve acties aanhangig worden gemaakt flink op de schop. Net als onder de bestaande procedure, kan een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid op grond van 3:305a lid 1 BW(nieuw) een vordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen. Nadat een dergelijke vordering aanhangig is gemaakt, is de 305a-organisatie verplicht om, op straffe van niet-ontvankelijkheid, daarvan aantekening te laten maken in een nieuw te vormen register.2Art. 1018c lid 2 Rv(nieuw). Het register wordt geregeld in art. 3:305a lid 7 BW(nieuw), zie ook Kamerstukken II 2016/17, 34608, 3, p. 29 e.v. (MvT). Omdat het collectieve actieregister openbaar zal zijn, worden andere belangenbehartigers in de gelegenheid gesteld ook een collectieve actie op touw te zetten. Zij kunnen zich vervolgens aanmelden bij hetzelfde register, waarna de rechtbank na een periode van 3 maanden zal kiezen welke van de aangemelde belangenbehartigers de procedure mag voortzetten: de Exclusieve Belangenbehartiger.

De Exclusieve Belangenbehartiger

De Exclusieve Belangenbehartiger is door de wetgever afgekeken van het Amerikaanse stelsel van de securities class action waarbij een natuurlijk persoon tot lead plaintiff wordt benoemd. In de V.S. zal de rechter echter, behoudens uitzonderingen, verplicht zijn om de eiser met het grootste financiële belang tot lead plaintiff te benoemen. Onder het Nederlandse wetsvoorstel is dit anders: allereerst moet er sprake zijn van een 305a-organisatie die aan de ontvankelijkheidseisen van art. 3:305a BW voldoet. Daarnaast kan iedere ontvankelijke 305a-organisatie worden benoemd tot Exclusieve Belangenbehartiger.3De thans geldende ontvankelijkheidseisen worden door de wetgever in het wetsvoorstel ook op de schop genomen. Voor de strekking van dit artikel gaat het te ver deze uitgebreid te behandelen. Zie de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor een overzicht (Kamerstukken II 2016/17, 34608, 3, p. 18 e.v.).

De rechter zal voor de benoeming bepalen wie van de aangemelde eisers het meest geschikt is om de procedure te doen. Dit doet hij op basis van vier criteria, te weten: (i) de omvang van de achterban, (ii) de grootte van het vertegenwoordigde financiële belang, (iii) overige werkzaamheden die de eiser heeft verricht voor de gedupeerden en (iv) zijn ervaring met het instellen van collectieve acties.4Art. 1018e lid 1 Rv(nieuw). Hoewel alleen het criterium van het financiële belang lijkt te zijn afgekeken van de Amerikanen, is dit niet het geval. De overige criteria worden in de V.S. namelijk gebruikt om het meest geschikte advocatenkantoor te kunnen aanwijzen en te benoemen tot class counsel.5Rule 23(g)(1) Federal Rules of Civil Procedure.

Rol van de Exclusieve Belangenbehartiger

Met de benoeming van de Exclusieve Belangenbehartiger stelt de rechter ook vast voor welke personen de belangenbehartiger zal optreden, de zogeheten ‘nauw omschreven groep’. Voor deze groep zal de Exclusieve Belangenbehartiger in de procedure optreden.6Art. 1018e lid 3 Rv (nieuw); Kamerstukken II 2016/17, 34608, 3, p. 32 (MvT). Hij is daarbij als het ware een eerste onder zijn gelijken: om te voorkomen dat de 305a-organisaties die niet zijn benoemd hun vorderingsrecht verliezen, blijven zij namelijk eiser in de aanhangige procedure. Daarbij horen enkele bevoegdheden, maar wat deze inhouden laat de wetgever over aan de rechter.7Kamerstukken II 2016/17, 34608, 3, p. 46 (MvT). Volgens de wetgever is dit namelijk in elke collectieve actie afhankelijk van de omstandigheden van het geval en is daardoor maatwerk nodig. Opmerkelijk is wel dat de wetgever de rechter geen concrete richtlijnen meegeeft maar slechts stelt dat het aan de raadsheer is een balans te zoeken tussen de leidende rol van de Exclusieve Belangenbehartiger en de beginselen van een goede procesorde uit art. 6 EVRM.8Kamerstukken II 2016/17, 34608, 3, p. 44 (MvT).

Goed gejat?

De wetgever stelt zelf dat hij een blik over de oceaan heeft geworpen bij het ontwerpen van een regeling waarbij het mogelijk wordt om via de rechter een financiële vordering te vorderen. Om te voorkomen dat in Nederland een met de V.S. vergelijkbare claimcultuur zou ontstaan, heeft hij ervoor gekozen om de class council en lead plaintiff te verenigen in een rechtspersoon met een ideële doelstelling: de Exclusieve Belangenbehartiger. Hoewel de wetgever een aantal onopgeloste problemen bij de rechter heeft neergelegd, kan worden gesteld dat de Nederlandse wetgever voornamelijk de krenten uit de pap van de Amerikaanse class action heeft geplukt.

Referenties   [ + ]

1. Zoals blijkt uit art. 3:305a lid 3 BW.
2. Art. 1018c lid 2 Rv(nieuw). Het register wordt geregeld in art. 3:305a lid 7 BW(nieuw), zie ook Kamerstukken II 2016/17, 34608, 3, p. 29 e.v. (MvT).
3. De thans geldende ontvankelijkheidseisen worden door de wetgever in het wetsvoorstel ook op de schop genomen. Voor de strekking van dit artikel gaat het te ver deze uitgebreid te behandelen. Zie de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor een overzicht (Kamerstukken II 2016/17, 34608, 3, p. 18 e.v.).
4. Art. 1018e lid 1 Rv(nieuw).
5. Rule 23(g)(1) Federal Rules of Civil Procedure.
6. Art. 1018e lid 3 Rv (nieuw); Kamerstukken II 2016/17, 34608, 3, p. 32 (MvT).
7. Kamerstukken II 2016/17, 34608, 3, p. 46 (MvT).
8. Kamerstukken II 2016/17, 34608, 3, p. 44 (MvT).