Er wordt in Nederland steeds vaker gestaakt: afgelopen maand ging het grondpersoneel van vliegtuigmaatschappij KLM weer staken en de eerste staking in de jeugdzorg heeft plaatsgevonden.1 K. van Laanhoven, ‘Nieuwe staking grondpersoneel KLM aangekondigd’, www.nrc.nl 14 september 2019; A. van der Kaaden, ‘Staking in de jeugdzorg: We zijn alleen maar rapportages aan het schrijven’’, www.nrc.nl 2 september 2019. Deze ontwikkeling leidt tot de volgende vraag: wanneer mogen werknemers grijpen naar het stakingswapen?

Het stakingsrecht is niet opgenomen in de Nederlandse wetgeving. In het NS-arrest is de directe werking van artikel 6 lid 4 Europees Sociaal Handvest (hierna: ESH) aangenomen, wat betekent dat werknemers hier rechtstreeks een beroep op kunnen doen via artikel 93 Grondwet.2 HR 30 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9402, NJ 1986, 688 m.nt. prof. mr. P.A. Stein (NS-arrest).

Om de vraag, wanneer werknemer mogen staken, te kunnen beantwoorden moet gekeken worden of artikel 6 lid 4 ESH van toepassing is. Hiervoor moeten drie vragen positief beantwoord worden. 1). Is sprake van een collectief optreden? 2). Is sprake van een belangengeschil? 3). Is de uitzondering genoemd in artikel 6 lid 4 ESH niet van toepassing? Als deze vragen positief beantwoord kunnen worden is de stakingsactie in beginsel rechtmatig tenzij artikel G ESH van toepassing is. 

Wanneer is sprake van een collectief optreden? 
Hiervan is sprake indien een groep werknemers in actie komt. Werknemers is in dit geval een ruim begrip. Echte zelfstandigen vallen niet onder dit begrip maar schijnzelfstandigen wel.3 Rb. Midden-Nederland 20 juli 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:5373,  JAR 2015/202 (Post NL/X).  Ook is het niet vereist dat de actie door een vakbond georganiseerd is, ook wilde stakingen kunnen als een collectief optreden gezien worden.4 Rb. Zutphen 20 maart 2001, ECLI: ECLI:NL:RBZUT:2001:AB0613, JAR 2001/65 (Zutphens Personeelscollectief).  Met betrekking tot de actievorm geldt een grote vrijheid. De actie moet redelijkerwijs kunnen bijdragen tot een doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen.5 HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3077, NJ 2015/252 met annotatie van E. Verhulp (Enerco).

Wanneer is sprake van een belangengeschil? 
Het moet gaan om een geschil dat (een deel van) de werknemers raakt en dat door collectieve onderhandelingen kan worden opgelost. Denk hierbij aan geschillen over arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden, werkgelegenheid en het sociale plan. Een zuiver politieke staking wordt niet gedekt door artikel 6 lid 4 ESH.6 HR 30 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9402, NJ 1986, 688 m.nt. prof. mr. P.A. Stein (NS-arrest).  Heeft de actie echter betrekking op het overheidsbeleid inzake arbeidsvoorwaarden, die het onderwerp plegen uit te maken van collectieve onderhandelingen, dan valt zij wel onder art. 6 lid 4 ESH.7 Hof Amsterdam 4 mei 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM3468, JAR 2010/140 (AOW staking).    Er moet wel sprake zijn van een geschil, wat betekent dat er enige vorm van onderhandeling tussen beide partijen moet zijn geweest.8 Rb. Amsterdam 6 januari 1999, H. 97.2753, JAR 1999/127 (Klieverik).

Wanneer is sprake van de uitzondering genoemd in artikel 6 lid 4 ESH? 
Het gaat hier om de zinsnede ‘behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten cao’. Gedurende de looptijd heeft de cao een vredesfunctie, echter deze functie is vaak relatief. De vredesfictie heeft alleen betrekking op onderwerpen die geregeld zijn in de cao, is alleen bindend voor aan de cao gebonden partijen en bovendien kunnen cao-partijen doormiddel van een openbreekclausule in de cao iets anders bepalen.

Rechtmatig of toch onrechtmatig?
Indien de drie bovenstaande vragen positief beantwoord kunnen worden is er voldaan aan de voorwaarden uit artikel 6 lid 4 ESH en is de staking in beginsel rechtmatig. Deze staking kan slecht verboden of beperkt worden door artikel G ESH.  
De werkgever die wil dat de collectieve actie wordt beperkt of verboden, moet aannemelijk maken dat deze beperking of uitsluiting naar de maatstaf van artikel G ESH gerechtvaardigd is.9 HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3077, NJ 2015/252 met annotatie van E. Verhulp (Enerco).  Hiervan is sprake indien de beperkingen aan het recht op collectieve actie bij wet zijn voorgeschreven en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn. Alle omstandigheden van het geval dienen te worden meegewogen.10 HR 30 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9402,NJ1986, 688 m.nt. prof. mr. P.A. Stein (NS-arrest); HR 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2309, NJ 1997, 437 (VSN-arrest).  Daarbij kunnen onder meer van belang zijn:

–         de aard en duur van de actie,
–          de verhouding tussen de actie en het daarmee nagestreefde doel,
–          de daardoor veroorzaakte schade aan belangen van de werkgever of derden,
–          de aard van die belangen en die schade van de werkgever of derde.

Voorheen waren de spelregels een zelfstandige maatstaf.11 HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1687, JAR 2015/188 m.nt. A. Stege (Amsta).  De eerste spelregel is de plicht tot tijdige aanzegging van de staking. Ten tweede de spelregel van ultimum-remedium, indien er andere mogelijkheden zijn dan moeten deze eerst benut worden. In het Amsta-arrest is echter uitgemaakt, dat de spelregels niet langer een zelfstandige maatstaf zijn maar dat het slechts gezichtspunten zijn bij artikel G ESH en dat het belang van de spelregels afhangt van de actievorm.12 HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1687, JAR 2015/188 m.nt. A. Stege (Amsta). Als de actie mede personen treft met een bijzondere kwetsbaarheid, in die zin dat sprake is van blootstelling aan het gevaar dat geestelijke of lichamelijke gezondheid wordt geschaad, moet actie op grond van artikel G ESH al snel als onrechtmatig worden aangemerkt.13 HR 20 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0424, NJ 1992, 508 m.nt. P.A. Stein (Gezondheidszorg).

Concluderend
Wanneer mogen werknemers grijpen naar het stakingswapen? Om deze vraag te beantwoorden moet gekeken worden of artikel 6 lid 4 ESH van toepassing is. Hiervoor moeten drie vragen positief beantwoord worden. Als deze vragen positief beantwoord kunnen worden is de stakingsactie in beginsel rechtmatig tenzij artikel G ESH van toepassing is. Kunnen deze drie vragen niet positief beantwoord worden dan is artikel 6 lid 4 ESH niet van toepassing en moet gekeken worden naar de Nederlandse wetgeving.14 Zie bijvoorbeeld: HR 19 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0217, NJ 1991, 690 m.nt. Pas (Kip Sloetjes).

 

Referenties   [ + ]

1. K. van Laanhoven, ‘Nieuwe staking grondpersoneel KLM aangekondigd’, www.nrc.nl 14 september 2019; A. van der Kaaden, ‘Staking in de jeugdzorg: We zijn alleen maar rapportages aan het schrijven’’, www.nrc.nl 2 september 2019.
2. HR 30 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9402, NJ 1986, 688 m.nt. prof. mr. P.A. Stein (NS-arrest).
3. Rb. Midden-Nederland 20 juli 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:5373,  JAR 2015/202 (Post NL/X).
4. Rb. Zutphen 20 maart 2001, ECLI: ECLI:NL:RBZUT:2001:AB0613, JAR 2001/65 (Zutphens Personeelscollectief).
5, 9. HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3077, NJ 2015/252 met annotatie van E. Verhulp (Enerco).
6. HR 30 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9402, NJ 1986, 688 m.nt. prof. mr. P.A. Stein (NS-arrest). 
7. Hof Amsterdam 4 mei 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM3468, JAR 2010/140 (AOW staking).  
8. Rb. Amsterdam 6 januari 1999, H. 97.2753, JAR 1999/127 (Klieverik).
10. HR 30 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9402,NJ1986, 688 m.nt. prof. mr. P.A. Stein (NS-arrest); HR 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2309, NJ 1997, 437 (VSN-arrest).
11, 12. HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1687, JAR 2015/188 m.nt. A. Stege (Amsta).
13. HR 20 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0424, NJ 1992, 508 m.nt. P.A. Stein (Gezondheidszorg).
14. Zie bijvoorbeeld: HR 19 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0217, NJ 1991, 690 m.nt. Pas (Kip Sloetjes).