Dat alcohol niet goed is voor de gezondheid is al tijden bekend. Toch zijn slijterijen niet weg te denken uit de Nederlandse samenleving. Een slijterij is net zoals elke andere winkel een onderneming en net zoals bij ieder andere onderneming worden deze soms overgenomen door andere partijen. Bij elke overname moet er met veel zaken rekening gehouden worden en is het vertrouwen tussen de twee partijen enorm belangrijk. Beide partijen hebben er normaliter belang bij dat dit zonder slag of stoot verloopt om zo tot een fijne afronding te komen. Echter, dit gaat wel eens mis waardoor er een partij benadeeld wordt. Dit was ook het geval voor een uitbuiter van een slijterij in Alkmaar. Wat het begin van een zorgeloos pensioen moest worden eindigde na een lange tijd in de rechtbank.

12 februari jl. oordeelde de Rechtbank Noord-Holland over een nog niet betaalde koopsom met betrekking tot een overname van een slijterij.1Rb. Noord-Holland 12 februari 2020, ECLI:NL:RBNHO:1056. De gedaagde werd veroordeeld om alsnog te voldoen aan de afgesproken koopsom. In deze blog zal ik kort ingaan op de hiervoor benoemde zaak die goed illustreert hoe relevant bestuurdersaansprakelijkheid blijft in het ondernemen. Begin 2016 polste de uitbuiter van Wijnhandel *anno 1804* de enig bestuurder van De Slijterij van Alkmaar B.V. voor een eventuele overname. Het balletje begon toen te rollen en in het najaar van 2017 was door middel van een mondelinge overeenkomst de overname in hoofdlijnen in orde. Daaruit volgde later dat de overnamedatum 30 april 2018 zou zijn en de koopovereenkomst werd uiteindelijk op 5 april 2018 getekend. Hierin was onder andere bepaald dat de koopprijs uiterlijk voldaan moest worden op de leveringsdatum van 30 april. Tot zover leek er niks aan de hand, totdat gedaagde via een mail op 27 april liet weten dat de betaling niet zou lukken voor de afgesproken datum vanwege het ontbreken van een aantal stukken die nodig waren om de financiering via de bank te realiseren. Vervolgens werd de vesting van de slijterij op 30 april geleverd. De gedaagde en eiser hadden hier vervolgens afgesproken om de betaling uit te stellen naar 1 mei 2018, de partijen hebben hierop de hand geschud. Uiteindelijk werd deze koopsom ook niet voldaan op 1 mei en op de daaropvolgende dag heeft de eiser contact met de gedaagde gehad met betrekking tot de betaling. Eiser heeft meermaals verzocht om de koopsom te voldoen, waarop gedaagde bleef garanderen dat hij dit zou doen, maar het bleef echter bij woorden in plaats van daden. Na een sommatiebrief in augustus 2018 werd in oktober van dat jaar een gering deel van de koopsom betaald maar vervolgens verklaarde de rechtbank de Slijterij van Alkmaar op 4 december failliet.

In het begin van de procedure heeft de gedaagde nog om aanhouding van de procedure verzocht omdat de curator mogelijkerwijs een procedure zou beginnen. In het Lunderstädt/De Kok-arrest is gesteld dat de procedure van de individuele crediteur kan worden aangehouden in afwachting van de procedure van de curator.2Hoge Raad 21 december 2001, ECLI:NL:HR:AD2684 (Lunderstädt/De Kok c.s.).Door een gebrek aan goede onderbouwing door de gedaagde waaruit blijkt dat de curator nog een procedure zou beginnen, wordt dit verzoek door de rechtbank afgewezen.3In ro. 4-4.5 wordt hier kort aandacht aan besteed.

Maatstaven bestuurdersaansprakelijkheid

Waar het in dit geschil vooral om draait is of de gedaagde in zijn hoedanigheid als bestuurder aansprakelijk is voor de schade die de eiser heeft geleden. In beginsel is de vennootschap aansprakelijk indien de vennootschap tekort heeft geschoten in de nakoming van een verbintenis of in het geval van een onrechtmatige daad. Een bestuurder van de vennootschap kan echter ook aansprakelijk gesteld worden indien deze bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. In Ontvanger/Roelofsen is grofweg bepaald dat er twee soorten categorieën voor externe aansprakelijkheid voor een bestuurder ex. artikel 6:162 BW.4Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NLHR2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen). Een daarvan, en voor deze zaak relevant, is de zogenaamde Beklamel-aansprakelijkheid.5 De andere aansprakelijkheidscategorie is een stuk breder en ziet vooral op het niet nakomen van wettelijke of contractuele afspraken, maar deze categorie laat ik verder onbesproken in deze blog. Deze aansprakelijkheid houdt in dat de persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap kan worden aangenomen indien hij namens de vennootschap een verbintenis aangaat terwijl hij wist of behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen zou kunnen voldoen. 6Hoge Raad.6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel), zie ook recenter: Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI Financial Services/K). De aansprakelijkheid wordt aangenomen tenzij de bestuurder omstandigheden aanvoert waarom hem persoonlijk geen verwijt kan worden gemaakt.

Beoordeling bestuurdersaansprakelijkheid

De rechtbank ging over tot beoordeling of de gedaagde in dit geval aansprakelijk gesteld kon worden als bestuurder.  7In ro. 4.11- 4.17 wordt hier aandacht aan besteed.Ten eerste kon uit de faillissementsverslagen geconcludeerd worden dat de balanstotaal stevig was teruggelopen. In 2015 was deze nog grofweg anderhalf miljoen euro en in 2017 was het balanstotaal teruggelopen naar de circa €165.000. De rechtbank stelt echter dat dit niet voldoende is om te concluderen dat de gedaagde behoorde te weten dat de koopsom (circa €189.000) niet zou kunnen worden voldaan. Vervolgens overweegt de rechtbank dat Slijterij van Alkmaar niet in een solide financiële gesteldheid is. Hoewel er betalingsregelingen waren getroffen voor de betalingsachterstanden doet volgens de rechtbank niet af aan het feit dat ze er financieel niet stabiel voor staan. Een overlegde liquiditeitsprognose die is overgedragen door de gedaagde overtuigd evenmin van een rooskleurige situatie.

Op het moment dat de koopovereenkomst werd getekend was er geen sprake van een financieel gezonde situatie en was er ook geen uitzicht op een toereikende financiering. Ook stelt de rechtbank vast dat het al snel duidelijk werd dat de bank de gedaagde ook niet van financiële middelen zou voorzien. De rechtbank concludeert zodoende dat er geen reëel beeld was dat de gedaagde zich aan de koopovereenkomst zou kunnen houden, ondanks het feit dat gedaagde bleef volhouden dat hij dit wel zou kunnen. Aldus wist of behoorde de gedaagde redelijkerwijs te weten op 5 april dat de betalingsverplichting niet zou kunnen worden nagekomen en dat er bij het niet nakomen ook geen verhaal zou kunnen worden geboden. Door de eiser te blijven garanderen dat de betaling geen probleem zou zijn, door hem via mails hem hierin te misleiden dat hij nog in gesprek was met de bank, heeft de gedaagde de eiser zwaar benadeeld.

De rechtbank veroordeelt de eiser om alsnog te voldoen aan de koopsom omdat hem in deze situatie een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Deze casus geeft goed weer hoe de rechtbank tot zijn oordeel komt met betrekking tot aansprakelijkheid. Hoewel het in deze kwestie veel factoren erop wezen dat de gedaagde niet met een zuiver geweten gehandeld heeft, blijkt wel dat het voor de rechter nodig is dat er verschillende elementen zijn om tot die conclusie te komen. Dit praktijkvoorbeeld geeft goed weer hoe de gedachtegang van de rechter is bij een vraagstuk met betrekking tot bestuurdersaansprakelijkheid en het kan voor iedereen een goede leerschool zijn dat een handdruk niet altijd een garantie is.

Referenties   [ + ]

1. Rb. Noord-Holland 12 februari 2020, ECLI:NL:RBNHO:1056.
2. Hoge Raad 21 december 2001, ECLI:NL:HR:AD2684 (Lunderstädt/De Kok c.s.).
3. In ro. 4-4.5 wordt hier kort aandacht aan besteed.
4. Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NLHR2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen).
5. De andere aansprakelijkheidscategorie is een stuk breder en ziet vooral op het niet nakomen van wettelijke of contractuele afspraken, maar deze categorie laat ik verder onbesproken in deze blog.
6. Hoge Raad.6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel), zie ook recenter: Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI Financial Services/K).
7. In ro. 4.11- 4.17 wordt hier aandacht aan besteed.