Inleiding

Voorheen bestond onduidelijkheid over de vraag wie als werkgever moet worden aangemerkt in geval van een arbeidsovereenkomst gesloten met een vennootschap onder firma (hierna: ‘vof’). Is dat de vof? Of zijn het de individuele vennoten elk afzonderlijk? En als de individuele vennoten elk afzonderlijk als werkgever zijn aan te merken, heeft dan de vof – naast deze vennoten – eveneens als afzonderlijk werkgever te gelden? Vragen die noch door de wetgever noch in de rechtspraak en literatuur eenduidig waren beantwoord. Daar bracht de Hoge Raad verandering in met zijn belangrijke uitspraak van 19 april 2019.1HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649. 

Casus

Wat speelde er in die zaak? Een vof en haar twee vennoten zijn op 1 april 2015 in staat van faillissement verklaard. Op 17 november 2015 zijn de faillissementen van beide vennoten omgezet in wettelijke schuldsaneringsregelingen. Vervolgens is op 27 juli 2016 het faillissement van de vof opgeheven bij gebrek aan baten. Het UWV heeft na faillietverklaring van de vof het door de werkgever verschuldigde (netto) loon aan de werknemers voldaan. Hierdoor zijn de vorderingen van de werknemers op de werkgever overgegaan op het UWV. Daarnaast heeft het UWV de over dat loon verschuldigde pensioenpremie aan de fiscus afgedragen, waardoor het UWV ook ter zake daarvan een verhaalsrecht heeft op de werkgever.2Dit volgt uit de artikelen 61-68 van de Werkloosheidswet (WW).

Het UWV heeft bij de bewindvoerder in de schuldsaneringsregelingen van beide vennoten vorderingen ingediend en gesteld dat de betreffende vorderingen boedel- en preferente vorderingen zijn. De loonvordering van de werknemers is immers bevoorrecht op alle goederen van de werkgever.3Zie artikel 3:288, aanhef en onder e, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bovendien hebben werknemers die in dienst zijn van een failliet verklaarde werkgever met betrekking tot het loon dat na de faillietverklaring opeisbaar wordt, een (preferente) boedelvordering.4Zie artikel 40, tweede lid, van de Faillissementswet (Fw). Daarnaast is de vordering van het UWV ten aanzien van de betaalde premie eveneens preferent.5Dit volgt uit artikel 66 lid 3 WW.

Op de verificatievergadering in beide schuldsaneringsregelingen weerspreekt de bewindvoerder echter dat de door UWV ingediende vorderingen boedelvorderingen zijn en betwist dat het UWV preferente in plaats van concurrente schuldeiser is. Zij stelt zich op het standpunt dat (alleen) de vof moet worden aangemerkt als werkgever/contractspartij.

Prejudiciële vragen

Uiteindelijk komt het tot een procedure tussen het UWV en de bewindvoerder bij de rechtbank Overijssel. Daarin staat de vraag centraal of de vennoten zelf als werkgevers hebben te gelden. De rechtbank stelt in dat kader vast dat de partijen van mening verschillen over enkele principiële vragen ten aanzien van de aard en het wezen van de vof – waarop geen duidelijk antwoord bestaat. De rechtbank ziet daarom aanleiding aan de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot de rechtspositie van werknemers die in dienst zijn van een vof. De prejudiciële vragen luiden als volgt:6HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, r.o. 3.3.

  • Indien een vof een arbeidsovereenkomst met een werknemer sluit, gelden dan de vennoten van die vof van rechtswege en in alle gevallen, ieder afzonderlijk, als werkgever?
  • Zo ja, zijn de vorderingen van de werknemer die niet volledig kunnen worden voldaan in het faillissement van de vof dan tevens preferente respectievelijk boedelvorderingen in de wettelijke schuldsaneringsregelingen van de vennoten?
  • Zo nee, zijn de vorderingen van de werknemer die niet volledig kunnen worden voldaan in het faillissement van de vof dan tevens preferente respectievelijk boedelvorderingen in de wettelijke schuldsaneringsregelingen van de vennoten?
  • In geval van een bevestigende beantwoording van vraag (I): heeft in dat geval de vof, naast de vennoten, ook als (afzonderlijk) werkgever in de zin van artikel 66 WW en/of artikel 40 Faillissementswet (Fw) te gelden?
  • Maakt het bij de beantwoording van (een van) bovenstaande vragen nog uit of het UWV haar vordering in het faillissement van de vof heeft aangemeld, en daarop al dan niet een (gedeeltelijke) uitkering heeft ontvangen/zal ontvangen?

Hoge Raad – prejudiciële beslissing

De Hoge Raad begint zijn beantwoording met de overweging dat aan een vof naar geldend recht geen rechtspersoonlijkheid toekomt. Dit brengt mee dat een vof niet zelfstandig draagster is van subjectieve rechten en verplichtingen. Wanneer een vennoot handelt in naam van de vof, handelt hij namens de gezamenlijke vennoten en bindt hij de gezamenlijke vennoten. Een overeenkomst aangegaan “met de vof” moet dan ook worden aangemerkt als een overeenkomst met de gezamenlijke vennoten in hun hoedanigheid van vennoten.7HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, r.o. 3.4.1.

Gelet op het voorgaande beantwoordt de Hoge Raad de vragen I tot en met IV als volgt.8HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, r.o. 3.4-3.9. De gezamenlijke vennoten zijn als werkgever partij bij de arbeidsovereenkomst, aangezien een overeenkomst aangegaan “met de vof” geldt als een overeenkomst met de gezamenlijke vennoten in hun hoedanigheid van vennoten (I). De vof kan niet zelfstandig als werkgever worden aangemerkt, vanwege het ontbreken van rechtspersoonlijkheid van de vof (IV). Een werknemer “van de vof” kan zijn uit de arbeidsovereenkomst voortkomende vordering(en) geldend maken zowel a) jegens de gezamenlijke vennoten (“jegens de vof”), met de mogelijkheid van verhaal op het afscheiden vermogen van de vof, als b) voor het geheel jegens elke afzonderlijke vennoot, met de mogelijkheid van verhaal op het privévermogen van die vennoot. Daarbij is de vordering van de werknemer ook bij het uitoefenen van verhaal op het privévermogen van de vennoten een bevoorrechte vordering (II). De vordering van de werknemer die in het faillissement van de vof een boedelschuld oplevert, kan ook het karakter van boedelschuld toekomen in het faillissement of de schuldsaneringsregeling van de vennoot, maar slechts voor zover die vordering betrekking heeft op de periode na het ingaan van laatstbedoeld faillissement of schuldsaneringsregeling. Tot slot luidt het antwoord op de laatste vraag (V) ontkennend.

Slotopmerking

De uitspraak van de Hoge Raad leert ons dat de gezamenlijke vennoten als ‘werkgever’ hebben te gelden in geval van een arbeidsovereenkomst gesloten met een vof. Althans, dit is voorlopig het geval. Als gezegd, ontbreekt de vof rechtspersoonlijkheid, maar het voorontwerp wet modernisering personenvennootschappen zal hierin verandering brengen – mits het voorstel als wet wordt aangenomen.9Te raadplegen op: internetconsultatie.nl/moderniseringpersonenvennootschap. In dat geval zal de vraag wie ‘werkgever’ is, anders moeten worden beantwoord.

Referenties   [ + ]

1. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649.
2. Dit volgt uit de artikelen 61-68 van de Werkloosheidswet (WW).
3. Zie artikel 3:288, aanhef en onder e, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
4. Zie artikel 40, tweede lid, van de Faillissementswet (Fw).
5. Dit volgt uit artikel 66 lid 3 WW.
6. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, r.o. 3.3.
7. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, r.o. 3.4.1.
8. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, r.o. 3.4-3.9.
9. Te raadplegen op: internetconsultatie.nl/moderniseringpersonenvennootschap.