Peeters/Gatzen

Peeters/Gatzen, HR 14 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4521, NJ 1983, 597

 Casus

In deze zaak ging het om het volgende. De heer van Rooij en mevrouw Gatzen zijn onder huwelijkse voorwaarden met elkaar getrouwd. In het zicht van het faillissement van van Rooij, verkoopt en levert hij, via een tussenpersoon, de echtelijke woning aan zijn echtgenote Gatzen voor een veel te lage prijs. Van Rooij gaat vervolgens persoonlijk failliet.

De curator acht deze handelswijze onrechtmatig en vordert vervolgens een verklaring voor recht dat Gatzen jegens de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement van van Rooij onrechtmatig heeft gehandeld. Gatzen heeft namelijk een actieve rol gespeeld in de benadeling van de schuldeiser van van Rooij. Hiermee heeft zij een onrechtmatige daad gepleegd jegens deze schuldeisers. Gatzen voert naast verweer hiertegen tevens aan dat – mocht de rechter de onrechtmatigheid vaststellen – zij de vordering die hieruit voortvloeit wil verrekenen met een schuld die zij heeft op van Rooij.

Oordeel Hoge Raad

In deze uitspraak speelt de kwestie niet of de gedraging van mevrouw Gatzen al dan niet onrechtmatig was. De vraag die de Hoge Raad wél moet beantwoorden, is de vraag of curator überhaupt bevoegd is een dergelijke vordering uit onrechtmatige daad in te stellen. Daarnaast is de vraag of – indien de onrechtmatigheid vaststaat – mevrouw Gatzen in deze omstandigheden een verrekeningsbevoegdheid ex art. 53 Fw toekomt. De vragen die de rechter derhalve dient te beantwoorden zijn:

  1. Kan de curator namens de gezamenlijke schuldeisers een onrechtmatige daadsactie instellen jegens een andere persoon dan de failliet?
  2. Wanneer vraag 1 bevestigend beantwoord wordt, komt deze persoon dan een verrekeningsbevoegdheid toe?

 De Hoge Raad oordeel bij vraag 1 in het voordeel van de curator. In rechtsoverweging 3.3 oordeelt hij namelijk:

“(…) Tegen deze gedachtegang, die aan de beslissing van het Hof ten grondslag ligt, voert onderdeel a terecht aan, dat een faillissementscurator ook bevoegd is voor de belangen van schuldeisers op te komen bij benadeling van schuldeisers door de gefailleerde en dat in zo een geval onder omstandigheden ook plaats kan zijn voor het geldend maken door de curator van een vordering tot schadevergoeding uit hoofde van art. 1401 BW (oud)(thans art. 6:162 BW) tegen een derde die bij de benadeling van schuldeisers betrokken is, ook al kwam een dergelijke vordering uiteraard niet aan de gefailleerde zelf toe. Of en in hoeverre de betreffende gedraging van Gatzen onrechtmatig was jegens de schuldeisers van Van Rooy voor wier belangen de Curator opkomt, is een vraag die thans nog niet aan de orde is.”

De curator komt dus sinds dit arrest de bevoegdheid toe om:

  • Een vordering uit onrechtmatige daad in te stellen (art. 6:162 BW),
  • tegen een derde die bij de benadeling van de gezamenlijke schuldeisers betrokken is,
  • ook al komt een dergelijke vordering niet aan de gefailleerde zelf toe.

In de praktijk wordt een vordering die aan de bovenstaande drie vereisten voldoet een Peeters/Gatzen-vordering (PGV) genoemd.

Voor wat betreft vraag 2 is de Hoge Raad kort in rechtsoverweging 3.4. Hij oordeelt:

“(…) Voor wat de in conventie door de Curator tegen Gatzen ingestelde vordering betreft, kan deze laatste – gezien het hiervoor onder 3.2 overwogene – niet worden aangemerkt als schuldenares van de gefailleerde, zodat in dit opzicht niet is voldaan aan de door art. 53 Fw voor compensatie gestelde voorwaarden en de Rechtbank bij haar in hoger beroep vernietigde vonnis derhalve terecht heeft afgewezen het in reconventie door Gatzen gevorderde declaratoir. (…)”

Kort samengevat oordeelt de Hoge Raad hier dat van Rooij de schuldenaar van mevrouw Gatzen is, maar mevrouw Gatzen is niet de schuldenaar van van Rooij. Zij heeft een onrechtmatige daad jegens de gezamenlijke schuldeisers gepleegd, waardoor het de gezamenlijke schuldeisers zijn jegens wie mevrouw Gatzen de schuld heeft. Aan het wederkerigheidsvereiste van art. 53 Fw is derhalve niet voldaan, waardoor verrekening niet mogelijk is.

Nadien uitgesproken arresten

(a) In Lunderstädt/De Kok c.s. bepaalt de Hoge Raad dat een dergelijke Peeters/Gatzen-vordering niet enkel aan de curator toekomt. De benadeelde schuldeisers kunnen ook zélf een Peeters/Gatzen-vordering instellen. Ondanks het feit dat dit het paritas creditorum mogelijk doorbreekt, wil de Hoge Raad niet overgaan op het ontnemen van dit individuele recht van een schuldeiser. In dit verband doelt de Hoge Raad op art. 1 Eerste Protocol EVRM. Hierin staat onder meer:

“iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.”

Een verbod aan schuldeisers om hun vordering in rechte af te dwingen acht de Hoge Raad dan ook in strijd met het bovenstaande. Hieraan voegt de Hoge Raad ten slotte nog wel toe dat ingeval de curator en een individuele schuldeiser beide een Peeters/Gatzen-vordering instellen, het belang van een behoorlijke procesafwikkeling van het faillissement met zich brengt dat eerst op de vordering van de curator wordt beslist.

(b) In De Bont/Bannenberg oordeel de Hoge raad dat de Peeters/Gatzen-vordering ingesteld moet worden ten behoeve van alle gezamenlijke schuldeisers. Zij kan niet ingesteld worden jegens een select groepje daarvan. Aan de curator wordt namelijk in art. 68 lid 1 Fw de opdracht gegeven ‘ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers’ op te treden. Het behartigen van een specifiek groepje schuldeisers valt dan ook buiten de reikwijdte van art. 68 lid 1 Fw. Daarnaast bevat de Faillissementswet geen andere bepaling waarin deze bevoegdheid wel zou zijn gegeven.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *